 Niet-Belgen starten vaker eigen zaak

Niet-Belgen starten tweemaal zo vaak een eigen zaak als Belgen. Maar hun onderneming mislukt ook vaker. De zelfstandigenorganisatie NSZ wil aankaarten dat de kennis van niet-Belgen om een onderneming tot een goed einde te brengen, te wensen overlaat. Vooral aan talenkennis ontbreekt het vaak, zegt NSZ-voorzitter Christine Mattheeuws. De cijfers laten zien dat 0,64 procent van de Belgen in 2008 met een eigen zaak startte. Van de niet-Belgen begon dat jaar 1,36 procent een onderneming. De ondernemingszin van de inwoners met een vreemde nationaliteit is dus dubbel zo groot. Hun aandeel in het totale aantal starters is de afgelopen jaren ook licht toegenomen. Het bedraagt nu 19procent, terwijl het aandeel van de niet-Belgen in de totale Belgische bevolking zo'n 10procent bedraagt. Wat het NSZ zorgen baart, is dat de niet-Belgen vaker met hun zaak stoppen dan de Belgen. In 2009 hield 9procent van de ondernemers met een vreemde nationaliteit het een jaar na de start voor gezien. Bij de Belgen was dat 4procent. Buitenlanders starten dus vaker een zaak, die vervolgens ook vaker mislukt. De Belgen starten minder vaak, maar falen ook minder vaak. Het resultaat is grosso modo hetzelfde: van het totaal aantal zelfstandigen is 8,99 procent niet-Belg. Dat aantal stemt ongeveer overeen met het aandeel niet-Belgen in de totale bevolking. De niet-Belgische ondernemers zijn voor 80procent EU-burgers. Zo'n 43procent van de starters met een buitenlandse nationaliteit komt uit Nederland, Italië en Frankrijk. Oost-Europeanen zijn eveneens sterk vertegenwoordigd. Polen, Roemenië en Bulgarije nemen 22procent van de niet-Belgische starters voor hun rekening. Turken en Marokkanen zijn samen goed voor minder dan 5procent van het aantal niet-Belgische starters. Maar dit cijfer is lastig te interpreteren, omdat veel mensen van Turkse of Marokkaanse afkomst de Belgische nationaliteit bezitten. Mattheeuws bevestigt dat bij buitenlanders de lust om te ondernemen vaak sterker is dan bij de traditioneel nogal risico-averse Belgen. ‘Het klopt dat buitenlanders minder schrik hebben om risico te nemen. Velen worden ondernemer uit noodzaak, omdat ze als werknemers niet aan de bak komen.' Maar ze vindt dat niet per se een positief gegeven. De hoge faalgraad onder de buitenlanders bewijst dat hun initiatieven niet altijd erg levensvatbaar zijn. Dat heeft volgens het NSZ te maken met een geringe voorbereiding en slechte kennis van de landstalen. Vooral Oost-Europeanen spreken vaak geen of gebrekkig Nederlands of Frans, mede omdat zij als EU-burger niet verplicht zijn een inburgeringscursus te volgen. De buitenlanders van buiten de EU moeten zo'n cursus wel volgens, behalve —merkwaardig genoeg— als ze getrouwd zijn met een EU-burger. Een Chinese die getrouwd is met een Duitser en in België komt wonen, hoeft dus geen inburgeringscursus te volgen; een Chinese die getrouwd is met een Rus en naar hier wil komen, wel. Mattheeuws merkt via het ondernemingsloket Go-Start welke problemen dat met zich meebrengt. ‘Vooral in Brussel komen veel starters naar ons toe die geen van de landstalen machtig zijn. We willen die mensen helpen, maar dat gaat moeilijk als ze geen Nederlands of Frans spreken. Soms trouwens ook geen Engels. Gelukkig dat onze medewerkers veel talen spreken, maar zelfs zij moeten soms hun toevlucht nemen tot gebarentaal. Dat gebrek aan talenkennis betekent dat de starters de informatie van het ondernemersloket of van de overheid niet begrijpen.' Bron: De Standaard
Vrijdag, 30 Juli 2010
|